Wat is een Intelligentiequotiënt?

Een IQ geeft aan hoe je scoort op een intelligentietest, vergeleken met het deel van de bevolking van jouw leeftijd.
Bij veel metingen stelt men vast dat velen een gemiddelde uitslag behalen maar dat er veel minder mensen lager of hoger scoren. Men krijgt bij het uitzetten van de scores in een grafiek dan een zogenaamde Gauss-curve. Men kan er vanuitgaan dat 68 procent van de bevolking een IQ heeft tussen 85 en 115 wat als gemiddeld beschouwd wordt. Ongeveer 13,5 procent behaalt een score tussen 70 en 85(zwak begaafd) en evenveel mensen behalen een score tussen 115 en 130(goed begaafd). Van de overige 5 procent bevindt de helft zich onder de 70 (zeer zwak) en de andere helft boven de 130(hoogbegaafd).

Wat is een disharmonisch ontwikkelingsprofiel?

Ook wel de verbaal-performaal-kloof genoemd. De term verbaal-performaal-kloof is ontstaan als een gevolg van de meetmethode die bij de meeste IQ-testen gehanteerd wordt. Men meet er enerzijds het verbale IQ mee, en anderzijds het performale IQ. Het verbale IQ meet alles wat betrekking heeft op woordenschat, taalgevoel, redeneringsvermogen, enz… Rekenen is evengoed redeneren en valt dus ook onder het verbale IQ. Het performale IQ meet hoe je praktisch omgaat met je kennis. Hoe los je praktisch een probleem op bijvoorbeeld. Motorische vaardigheden spelen hierbij een rol, maar evengoed een aantal inzichten, zoals bijvoorbeeld het ruimtelijk inzicht. Bij een normale ontwikkeling lopen beiden IQs in zekere mate parallel. Er is altijd een zeker verschil maar men gaat er vanuit dat het verschil pas belangrijk wordt als het meer dan 12 IQ punten bedraagt (Stanford-Binet IQ met een standdaarddeviatie van 15. Dit is de meest gebruikte IQ schaal.) Studies hebben aangetoond dat vanaf een verschil van 12 punten de kans dat het om een toevallig verschil gaat ongeveer 5% is. Vanaf een verschil van 16 punten is die kans zelfs maar 1% meer. Zodra er een beduidend verschil is tussen beide IQs, spreekt men van een verbaal-performaal-kloof (voortaan: v/p-kloof)

Er zijn 2 soorten v/p-kloven te onderscheiden.

Iemand met een verbaal hoger en een performaal lager IQ enerzijds (V/p-kloof) en iemand met een verbaal lager en een performaal hoger IQ anderzijds (v/P-kloof, ook omgekeerde kloof genoemd). Het eerste geval komt 7 keer meer voor dan het tweede.

In normale situaties werken onze verbale en performale eigenschappen samen, maar bij een kloof verloopt die samenwerking niet zo vlot. Een kind kan zich dan geen beeld vormen van een bepaalde situatie en kan er daarom niet goed mee omgaan, hetgeen zich op school bijvoorbeeld kan uiten in slechte schoolresultaten. Een beeld vormen van een situatie, de visualisatie, gebeurt als gevolg van verbaliseren: je brengt dingen onder woorden en die laten je toe een situatie te begrijpen. Als iemand anders de verbalisatie voor jou doet (bv. de leerkracht vooraan in de klas legt iets uit), dan is die beeldvorming een stuk zwakker dan wanneer je de verbalisatie zelf doet, vandaar dat het probleem typisch in schoolsituaties opvalt. Het kind vat de opdracht niet en kijkt om zich heen naar de andere kinderen om te kijken wat het precies moet doen. Een hoogbegaafd kind dat als dusdanig herkend wordt en aparte opdrachten krijgt, kan niet meer afkijken. Heeft dit kind een v/p-kloof, dan heeft het geen enkele manier meer om het gebrek aan beeldvorming te compenseren en valt het nut van de aparte opdrachten volledig weg.

Wat zijn de mogelijke gedragskenmerken van deze kinderen?

De volgende kenmerken worden door Rob Brunia als typisch voor een kloofkind omschreven:
(dit zijn mogelijke kenmerken: niet alle kenmerken zijn noodzakelijk aanwezig)

  • Het kind heeft moeite met routine. Alles moet steeds opnieuw verteld worden (wassen, aankleden, bed opmaken, …).
  • Het kind is niet in staat zelf zijn rommel op te ruimen in de speelruimte, slaapkamer, kleerkast, …
  • Het kind is vergeetachtig en verstrooid en voert opdrachten bijgevolg niet uit.
  • Het kind is vaak boos of verdrietig. Het begrijpt namelijk wel wat het moet doen maar krijgt het niet uitgevoerd en het eindresultaat valt tegen. Het kind valt zichzelf tegen. (= chronische boosheid)
  • Het kind rekent langzaam.
  • Het kind heeft problemen als het moet handelen in groepsgedrag.
  • Een hoge mate van drempelvrees. Alles wat nieuw is zorgt immers voor problemen, dus nieuw wordt synoniem voor bedreigend.
  • Het kind gaat blokkeren als het niet kan omgaan met een nieuwe situatie.
  • Het kind is onhandig, blijft bijvoorbeeld glazen omgooien aan tafel.
  • Het kind ontwikkelt tics.
  • Bij het schrijven begint het kind halverwege de regel of de bladzijde.
  • Het kind heeft een laag zelfbeeld (‘ik doe dat niet want ik ga dat toch niet kunnen’).
  • Deze kinderen zijn vaak angstig, wat zich ook manifesteert in een veelheid aan nachtmerries.
  • Het kind is extreem visueel ingesteld.
  • Het gedrag van een dergelijk kind kan leiden tot de diagnose ADHD, Asperger, dyslexie, terwijl er alleen maar sprake is van een V/p-kloof.
  • Een kind met een v/P-kloof kan zeer goed imiteren wat het ziet en wordt daarom niet ontdekt. Omdat het verbaal zwakker is, wordt het vaak ook als een jonger kind aangesproken en wordt het voortdurend onderschat. 65% van deze kinderen wordt niet ontdekt. Hun gedrag vertoont gelijkenissen met dat van een kind met autistiform gedrag.

Begeleiding

Welke tips je gebruikt, is zeer individueel. Kies die tips eruit die bij het kind zelf passen.

  • Bied het kind structuur aan. Dit betekent dat een bepaalde opdracht best in deelopdrachten geknipt wordt zodat het kind duidelijk te horen krijgt wat het eerst moet doen, wat daarna, enz…
  • Voor veel voorkomende taken kan een stappenplan op een kaartje hulp bieden.
  • Laat het kind zelf feedback geven op zijn geleverde prestatie en laat zelf ook niet na van eerlijke feedback te geven.
  • Nadat een opdracht gegeven is, laat je het kind best herhalen wat je gezegd hebt. Dit verbaliseren stimuleert de beeldvorming.
  • Het beeld van een opdracht dat we ons vormen bestaat uit drie aspecten. Er is het symbool, er is de betekenis en er is de gevoelswaarde. Het is belangrijk dat het kind bij het aanhoren van zijn opdracht alle drie de aspecten te horen krijgt. Als het kind bijvoorbeeld iets over een auto leert, dan is het merk het symbool, het feit dat het een vervoermiddel is, is de betekenis, en de gevoelswaarde zou kunnen zijn dat hij geruisloos rijdt.
  • Bied geen wisselende structuren aan. Dus tijdens het rekenen plaatst men op één bladzijde allemaal sommen van hetzelfde type. Het kind verliest namelijk veel tijd met het zoeken naar de structuur van het probleem. Eenmaal die gekend, lost het kind de sommen in geen tijd op. Staan er allemaal verschillende soorten sommen dooreen, dan verliest het kind keer op keer al zijn tijd met het zoeken naar de structuur en krijgt het bijna geen sommen gemaakt.
  • Omdat het kind een laag zelfbeeld ontwikkelt als gevolg van het zichzelf steeds tegenvallen, is het belangrijk dat het kind gaat ervaren dat het iets kan. Het zelfvertrouwen moet opgekrikt worden, en dit kan men bereiken door opdrachten aan te bieden die tot de sterke kanten van het kind behoren.
  • Omdat verbale instructies niet doordringen, kan men beter visualiseren door de uit te voeren opdrachten uit te beelden met pictogrammen. Men kan deze pictogrammen achter naast elkaar hangen bijvoorbeeld, en een wasknijper plaatsen bij de uit te voeren opdracht. Als de opdracht klaar is wordt de wasknijper bij het volgende pictogram geplaatst, enz…

(BRONVERMELDING: deze tekst verscheen in de “zorggazet” van de school Virgo Sapiens in Londerzeel, en is van de hand van Joke Duyols, zorgcoördinator 2005)